Uit de regel van Augustinus

Augustinus van Hippo (354-430) schreef een leefregel voor een door hem gestichte religieuze gemeenschap. Hij wilde met deze regel de aandacht voor de individuele relatie van de mens met God verbreden tot de aandacht voor de verhouding van de mensen onderling.
De regel bevat instructies over het gemeenschappelijk bezit, dienstbaarheid, gebed, vasten en naastenliefde.

 

Midden dertiende eeuw werd de Regel van Augustinus verplicht gesteld als regel voor nieuwe kloosterorden. Daarom werden de Dominicanen verplicht de Regel van Augustinus aan te nemen. Dit is de reden waarom wij, zusters Dominicanessen de Regel van Augustinus hebben.

 

Enkele andere kloosterorden die de Regel van Augustinus aannamen zijn: de Norbertijnen, de Kruisheren, de Birgitinessen en de Kanunnikessen van het H. Graf.

Deze orden werkten hun specifieke verdere regels uit in constituties.


 

Hoofdstuk 1

Het grondideaal. Onderlinge liefde in gemeenschap van goederen en in nederigheid

 

U die een kloostergemeenschap vormt, dragen wij op het volgende na te leven.

 

  1. Allereerst moet u eensgezind samen wonen, één van hart en één van ziel (Hand. 4, 32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven?
  2. Bij u mag er geen sprake zijn van persoonlijk eigendom. Zorg er integendeel voor dat alles onder u gemeenschappelijk is. Uw overste moet ieder van voedsel en kleding voorzien. Niet dat zij iedereen evenveel moet geven, want u bent niet allen even sterk, maar aan elke persoon moet gegeven worden wat zij persoonlijk nodig heeft. Zo leest u immers in de Handelingen van de Apostelen: “Zij bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg wat hij nodig had”. (Hand. 4, 32 en 34)

 

Hoofdstuk 2

Gemeenschappelijk gebed

 

  1. Volhard trouw in het gebed (Kol. 4, 2) op vastgestelde uren en tijden.
  2. De gebedsruimte mag nergens anders voor gebruikt worden dan waarvoor zij bestemd is; want zij draagt die naam niet voor niets. Dan kan ieder, die misschien ook buiten de vastgestelde uren wil bidden, er in haar vrije tijd terecht zonder gestoord te worden door iemand die daar eigenlijk niets te maken heeft.
  3. Wanneer u in psalmen en liederen tot God bidt, moeten de woorden die u uitspreekt ook in uw hart leven.

 

Hoofdstuk 3

Gemeenschap en zorg voor het lichaam

 

  1. Bedwing uw lichaam door vasten en onthouding van eten en drinken voor zover uw gezondheid het toelaat. Wie niet zonder voedsel kan tot de hoofdmaaltijd, die tegen de avond plaats heeft, mag tevoren iets gebruiken, maar alleen rond het middaguur; zieken echter mogen altijd iets gebruiken.

 

Hoofdstuk 4

Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in goed en kwaad

 

  1. Ga niet opvallend gekleed. Probeer niet door uw kleding in de smaak te vallen, maar door uw levenshouding.
  2. Als u uitgaat, ga dan niet alleen en blijf bijeen als u op de plaats van bestemming bent gekomen.
  3. Uw gaan en staan, heel uw gedrag mag niemand aanstoot geven, maar moet in overeenstemming zijn met een heilige levenswijze.

 

Hoofdstuk 6

Onderlinge eensgezindheid

 

  1. Maak geen ruzie, maar als u ruzie hebt, maak er dan zo spoedig mogelijk een eind aan. Anders groeit een klein moment van woede uit tot haat, wordt een splinter een balk (Mt.6, 12) en maakt u van uw hart een moordkuil. Want er staat geschreven: “Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar”. (Mt. 18, 35)

 

Hoofdstuk 7

Liefde in gezag en gehoorzaamheid

 

  1. Gehoorzaam aan uw overste (Gal. 5, 13) als aan een moeder, maar ook met de achting die u haar verschuldigd bent omwille van haar taak, anders misdoet u tegen God in haar. Dat geldt nog meer voor de priester die voor u allen zorg draagt.

 

Hoofdstuk 8

Slotaansporing

 

  1. De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven het levenwekkend aroma van Christus verspreidt. (2 Kor. 2, 15) Ga niet als slavinnen gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de genade.(Rom. 6, 14-22)