Op Allerzielen herdachten wij


Zuster Maria Isabella Linders
Overleden 18 december 2017

 

Zuster Mirjam Loeffen
Overleden 10 januari 2018

Website vernieuwd

Het is alweer tien jaar geleden dat onze website gebouwd en ontworpen werd.

In oktober kwam het eerste bericht van de webmaster: we moeten iets gaan doen, zodat de website blijft werken. Dat iets is natuurlijk een heel werk. Het betekent, kijken naar de teksten en de foto’s.  Beslissen wat kan blijven en wat eruit kan.

De webmaster gaat achter de schermen “bouwen” en de ontwerpster kijkt naar de vormgeving en lay-out.

 

Wat goed is kan blijven ….

Maar de website heeft een update gekregen door een frissere en ruime lay-out,

een ander lettertype en kleuren.

Teksten zijn herschreven en nieuwe foto’s geplaatst.

De website is nu ook geschikt voor mobiel en tablet.

 

Kortom: de website is vernieuwd en bij de tijd.

 

Veel lees en kijkplezier!

Terug in de tijd

Provinciaal  overste Pater Raken

Bij het begin van onze congregatie duikt ook de naam pater Raken op.

Logisch, want voor pater Dominicus van Zeeland was hij de provinciale overste.

De historicus Guus Bary heeft geschreven over deze markante man.

 

Een gedeelte van een uitgebreidere tekst  …….

 

Aan het begin van de negentiende eeuw had de orde der dominicanen het zwaar, in Nederland maar ook in Vlaanderen. De krachtige, maar eigenzinnige figuur van Raken speelde een belangrijke rol bij de opleving van de dominicanen in de Lage Landen.

In 1800 waren er in het huidige Nederland nog dertien ‘staties’ over: parochies die min of meer gedoogd werden. In België bestonden nog maar enkele woonkernen. De Nederduitse provincie (Nederland, Vlaanderen en delen rond het Duitse Kleve) leidde een zieltogend bestaan en werd zelfs alsmaar kleiner.
Op 4 juli 1834 werd Joannes Raken, een 36-jarige pastoor te Rotterdam, door de zieke provinciaal in Kalkar aangewezen als zijn vicaris en opvolger. Hij zou provinciaal overste zijn van 1834 tot 1842 en van 1845 tot 1862.

 

Joannes Jacobus Raken werd geboren in 1798 in Amsterdam. Hij volgde de Latijnse school aan het Singel en werd in 1818 als novice naar het toenmalig hoofdklooster van de orde gestuurd, het nog altijd bestaande Santa Maria sopra Minerva in Rome. Daar kreeg hij de kloosternaam Dominicus.
Na zijn studies en priesterwijding (in 1821) werd hij assistent aan het Steiger in Rotterdam. Tot zijn dood zou hij aan deze kerk verbonden blijven.

 

Raken was een conservatieve, onversneden ultramontaanse pastoor. Hij was weinig gemoedelijk en inschikkelijk, hetgeen hem bij onderhandelingen voor zijn tegenpartij dikwijls tot een moeilijke partner maakte. Zo was hij al vroeg een scherpslijper om de statiekerk in Rotterdam te behouden.
Raken wilde allereerst het kloosterleven herstellen en voor een degelijke theologische opleiding zorgen. Dat betekende niet alleen kloosters stichten, maar er ook voor zorgen dat er op de staties met het gemeenschappelijk gebed en ook de gemeenschappelijke kas werd geleefd. Bovendien moesten de paters periodiek in retraite. Zo wilde Raken de minimale vorming en te grote zelfstandigheid op de staties aanpakken.

 

In 1835, een jaar na zijn aanstelling, stichtte Raken een eerste klooster in Gent. De bedoeling was er een noviciaatshuis van te maken, maar dat lukte nauwelijks. Dat kwam door de moeizame politieke situatie tussen België en Nederland na de oorlog van 1830, maar ook door de Belgische bisschoppen, die volledige controle wilden over kloosterlingen in hun land.
Ondanks een compromis en een uitspraak van de paus was deze situatie niet houdbaar. Raken spande zich enorm in, maar moest in 1837 buigen. Er kwam een eigen studiehuis voor de Nederlandse novicen.
Raken wilde in het Brabantse Uden een vormingsinstituut stichten voor jonge dominicanen en een retraitehuis voor de statiepaters, maar ook dat was ingewikkeld. Er golden allerlei wettelijke restricties voor religieuzen – pas vanaf 1840 mochten ze bijvoorbeeld een habijt dragen – en een gemeenschappelijk leven kwam niet van de grond. De theologische opleiding sloot in 1842.

 

Het Limburgse Sittard viel sinds 1830 onder het Voorlopig Bewind van België. In 1837 kregen de dominicanen er het aanbod het voormalige klooster te heroprichten en onderwijs te komen geven. Raken wilde er wel Belgische én Nederlandse novicen huisvesten en opleiden. Maar in 1839 ging Sittard met een lange strook langs de Maas bij Nederland behoren en weerden de Nederlandse lokale overheden de dominicanen.
In 1842 werd Raken als provinciaal opgevolgd door Raymundus van Zeeland, maar achter de schermen bleef hij missieprefect, en feitelijk provinciaal zonder titel.
Het Nederlandse noviciaats- en studiehuis werd in 1843 naar Nijmegen verplaatst. In 1844 kwam daar één novice, in het jaar daarop zelfs negen. In 1845 werd Raken weer provinciaal. Inhoudelijk werd de vorming degelijker, maar na een tyfusepidemie in 1848, die ook aan enkele predikbroeders het leven kostte, verhuisde het opleidingsinstituut naar Langenboom, onder de rook van Grave. In het jaar van verhuizing, in 1852, telde Holland 53 dominicanen, België 39.

 

Raken zou na Gent, Uden, Nijmegen en Langenboom nog voor de vijfde keer als kloosterstichter aangemerkt kunnen worden: in 1858 in het stadje te Huissen bij Arnhem. Hij wilde er iets goeds van maken en trok de bekende architect Pierre Cuypers aan om er een ‘geregeld klooster met kapel’ van te maken.
Huissen zou het ‘moederklooster’ van de Nederlandse provincie worden, die dankzij de kloosters weer zelfstandig kon bestaan. De Belgische dominicanen vielen na de Belgische onafhankelijkheid in 1839 eerst onder de Franse provincie en hadden in 1862 voldoende kloosters en stemgerechtigde leden om een eigen provincie te vormen.

 

Typerend voor Raken is dat hij voorstander was van het strenge kloosterleven, ook op de staties, maar dat hij niet vervreemd wilde raken van ordebroeders die daar moeite mee hadden. Vanuit de orde was de druk groot: sommige toezichthouders namens de magister uit Rome waren zeer strikt op de kloostertucht. Tegelijk was het verzet van ordebroeders die de vrijheid van de staties gewend waren krachtig. Raken zag in dat niet alles in kloosterlijke banen geleid kon worden en belichaamde zelf dat compromis: ‘Onder medebroeders gedroeg hij zich als een kloosteroverste, in en om zijn statie was hij pastoor in hart en nieren’, schrijft Marit Monteiro in Gods Predikers.

 

Raken was raak in zijn taalgebruik en schroomde niet krachtige termen te gebruiken, niet alleen over bepaalde confraters, maar ook richting de politiek. Zo was hij weinig vleiend over de troonbestijging van koning Willem III in 1849. De historicus Rogier schrijft: ‘De bekende Dominicaan J.D. Raken schreef zelfs naar Rome, dat de gevreesde onheilen te vrezen waren van deze ‘Nero, een echte Kozak, een tiran en verdorven mens.’
De laatste jaren van zijn leven bleef Raken pastoor van zijn eigen Steigerse parochie. Hier stierf hij op 16 juni 1869.

 

Een gedachte van Humbertus van Romans

Sommige teksten uit een ver verleden, kunnen ons ook nu nog aanspreken.

Zoals deze tekst over de dominicaanse spiritualiteit van Humbertus van Romans uit de 13e eeuw:

“Om in woord en daad goed te kunnen verkondigen in de dominicaanse zin van het woord”,

zo schreef Humbertus van Romans “is het nodig om voor alles een goed contemplatief te zijn.”

Hij vatte dit woord echter niet op in de gebruikelijke zin van iemand die in stilte en afzondering het goddelijke probeert te schouwen in het eigen innerlijk.

Contemplatie is bij Humbertus de aanduiding van oplettendheid.

“Wat nodig is op de weg die je gaat, is inzicht in je eigen situatie, in de wereld om je heen en je eigen plaats daarbinnen”.

Leven in een dominicaanse spiritualiteit, dat betekende volgens Humbertus leven met aan alle kanten ogen.

Rosa de Lima (1586 – 1617)

Isabel de Flores, bekend als de heilige Rosa de Lima, werd in 1586 in Lima (Peru) geboren. Rosa wijdde haar leven aan gebed en boetedoening. Zij was lid van de Dominicaanse Leken.

Haar familie verzette zich in het begin tegen haar roeping en manier van leven, maar na verloop van tijd lieten ze zich vermurwen en gaf haar toestemming als kluizenares in de tuin van het ouderlijk huis te wonen. Haar geestelijk leidsman was de provinciaal van Peru, Juan de Lorenzana, die ook Martinus de Porres toestemming gaf om in te treden.

Naast een leven van gebed en contemplatie, werkte Rosa om haar familie te helpen onderhouden door schitterend borduurwerk te maken en bloemen te telen, die op de markt verkocht werden.

 

Zij bezocht ook zieken en verschoppelingen, net als haar voorbeeld Catharina van Siëna en haar tijdgenoot, Martinus de Porres.

 

Ondanks haar verlangen naar afzondering en anonimiteit werd Rosa heel bekend door haar mystieke visioenen en lange tijden van extatisch gebed. Zij leidde een ascetisch leven. Uitgeput door haar strenge verstervingen stierf Rosa in 1617. Heel Lima treurde om haar dood. Ze werd in 1671 door paus Clemens X heilig verklaard en tot patrones van Zuid-Amerika en de Filippijnen uitgeroepen.

 

Rosa zou in 1671 – dus in het jaar van haar heiligverklaring – Sittard van de dysenterie – epidemie hebben bevrijd en is de beschermheilige van de stad waar ook een kapel, een processie en een kermis inclusief festival naar haar genoemd zijn. Ook is Rosa de patrones van tuinmannen en bloemisten. Haar hulp wordt ook ingeroepen bij familieruzies en verwondingen.

 

Wij gedenken haar op 23 augustus.

Radio 5 Zin in weekend

Radiominiatuur van lekendominicaan Sipke Draisma over een uitspraak van Ad Willems o.p. ‘Er is ook buiten de kerk van alles dat zich met mij bemoeit, met wat ik denk, met hoe ik er uit zie en wat ik moet geloven. Meer dan God ooit gedaan heeft.’

‘Ik ben nooit bang voor God geweest. En een bemoeial was ie ook nooit. Soms denk ik dat hij dat beter wel had kunnen doen, ingrijpen in mijn leven. Zich ertegenaan bemoeien. Dat had me vast behoed voor heel wat valpartijen en domme acties in mijn leven. Maar blijkbaar is dat niet de bedoeling.

God als grond en niet als grens van mijn bestaan.´

 

Nog een radiominiatuur van Sipke Draisma.

Mijn neef Geert is 16 jaar oud geworden. Toen hij hoorde dat ie doodging was er al gauw berusting. “Het is zoals het is”, zei hij, en ging in vrede dood.’

‘Geert was niet bang om dood te gaan, want volgens hem zou er aan gene zijde een comité van overleden familieleden op hem wachten. Als theoloog had ik vragen bij deze al te familiaire voorstelling van een leven na de dood, maar ik stelde ze niet hardop. Het leek me niet gepast en ik hielp er niemand mee, zeker Geert niet. Ik ging wel te rade bij mijn geleerde broeder Thomas van Aquino.’

Volgens Thomas zijn we bij onze opstanding uit de dood weer zo gaaf als we ooit waren of bedoeld zijn.

 

Mijn medebroeder professor Piet Kreling zei, zo’n 70 jaar geleden: God neemt voortdurend verbazingwekkende risico’s. Het begint bij de schepping van de mens aan wie God vrijheid heeft geschonken.’ Een radiominiatuur van Holkje van der Veer o.p.

Piet Kreling werd geboren in 1888, hij maakte twee wereldoorlogen mee, de arrestatie van zijn collega Titus Brandsma en het bombardement op Nijmegen. Hij probeerde te begrijpen hoe het toch mogelijk is dat de mens tot zoveel destructie in staat is. Waar is in deze ellende de hand van God te vinden?

En waar ligt de oorsprong van dit kwaad?

Hij ging begrijpen dat God ons vrijheid heeft geschonken en daarmee een enorm risico nam.

Boekbespreking: Met het oog op Kees

Dominicaan Kees Brakkee werd in 2017 90 jaar. Om hem te bedanken voor al zijn werk beloofde de gemeenschap van de Dominicanenkerk Zwolle hem een boek, dat nu is verschenen. Het bevat een selectie van zijn eigen artikelen en een bonte verzameling vriendenteksten: ‘Met het oog op Kees’.

 

Uit het voorwoord:

‘Iedereen kent deze kleine, grote man. We ontmoeten hem als de predikbroeder Kees, als de man die in de kerk op zijn eigen stoel de diensten bijwoont, als de historicus van de orde van de dominicanen, als de man die veel over de historie van kerk en klooster geschreven heeft en nog steeds schrijft in het blad van de parochie: Het Presenteerblad. Mensen kennen Kees ook als de auteur van het boek Met het oog op de ramen. Hij verzorgt daarnaast de tekst over de ‘jakobijnen van de eerste verdieping’ in elke aflevering van de Kloosterkrant.

 

In dit boek komen veel mensen aan het woord. In de inleiding legt Jan Groot (pastor en parochiaan) uit wat Kees allemaal voor de parochie heeft gedaan. Hij stelt Kees voor als kritisch historicus, als boeiend verteller (bijvoorbeeld in toerustingcursussen) en als een begaafd schrijver (onder andere van meer dan 100 artikelen voor het Presenteerblad).

 

Daarna komt natuurlijk Kees zelf aan het woord. Een selectie van zijn Presenteerbladpublicaties is te lezen in deel 1 van het boek: de Verhalen van een Prediker. Veel mensen wilden ook Kees zelf in het zonnetje zetten. In deel 2 Kijk op Kees schrijven zij over hun ervaringen met Kees.

 

Een aantal mensen heeft samengewerkt om dit boek mogelijk te maken. Het initiatief kwam van Jan Laan. Redactie: Marja Kruithof, Sieneke Spiegel, Ludo Hendrickx en Anton Eikelboom. Sieneke Spiegel heeft er als  vormgever een echt boek van gemaakt.’

Presentatie van het boek was op 22 juni 2018 in Zwolle. Het boek ‘Met het oog op Kees, verhalen van een prediker’ is in de kerkwinkel van het Dominicanenklooster Zwolle te koop voor € 10,-

 

Zie ook: website Dominicanen

Hoe het 800 jaar geleden begon …

Het leven van Sint Dominicus (1170 – 1221) begon – zoals dat van de meeste andere kinderen – samen met zijn familie en vrienden. Zijn ouders waren in goede doen, maar niet echt rijk.
Het was een vroom gezin. Er waren al twee zonen aan het studeren voor het priesterschap. Maar intussen hadden ze een redelijk normaal leven in Caleruega, in Oud-Castilië.

Toch waren er wat vroege aanwijzingen voor een grote toekomst. Vóór zijn geboorte had Juana, de moeder van Dominicus, een visioen. Ze zag een hond met een vlammende toorts in zijn bek, die tijdens het lopen de hele wereld in vuur en vlam zette. Dat werd geïnterpreteerd als een teken dat haar zoon de wereld in lichterlaaie zou zetten met het Evangelie. Ook verscheen er bij zijn doopsel een soort ster op het voorhoofd van Dominicus.
Dat heeft ertoe geleid dat de toorts en de ster symbolen zijn geworden van Sint Dominicus en van de Orde die hij heeft gesticht.

Hoewel hij een andere kant op had kunnen gaan, volgde Dominicus in de voetstappen van zijn broers en begon hij aan zijn studie voor het priesterschap. Terwijl hij daarmee bezig was, brak er een hongersnood uit en hij is erom bekend dat hij zijn boeken verkocht (het middeleeuwse equivalent van de tegenwoordige computer of smartphone!). Hij gebruikte het geld om voor de armen te zorgen.
Deze edelmoedige jongeman werd kort daarna tot priester gewijd en sloot zich vervolgens aan bij een religieuze gemeenschap in Osma. Hij stelde zich waarschijnlijk een eenvoudig en rustig leven voor. Maar God had, naar het schijnt, andere plannen.

 

Bidden voor elkaars intenties helpt

Als Dominicanessen vormen wij een gebedsgemeenschap.
Bidden is een belangrijke pijler in ons leven.
Door samen te bidden getuigen wij aan elkaar, dat Christus onder ons aanwezig is.
Onze verbondenheid met Christus, onze bezinning en gebed brengen ons ook dichter bij God.

Wij leggen ons leven in Gods Hand en zijn ervan overtuigd dat hij ons bidden en onze intenties hoort.
Dit beperkt zich niet alleen tot ons eigen leven. Wij willen graag anderen “meenemen” in ons gebed. Wanneer u een intentie hebt waarvoor wij samen kunnen bidden… kijk bij het kopje “Bidden” om de intentie op te geven.